Te veel bestrijdingsmiddelen in drinkwaterbronnen: de risico's en oplossingen
12 september 2026De Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 heeft als doel om emissies van bestrijdingsmiddelen in water en bodem te voorkomen. Maar uit een tussenevaluatie blijkt dat veel waterwinningen nog te hoge concentraties stoffen uit chemische middelen bevatten, zoals bentazon, metazachloor, glyfosaat en TFA uit PFAS-pesticiden. De stoffen kunnen schadelijk zijn voor mensen, dieren en ecosystemen. Bovendien vergroten verontreinigingen de zuiveringsinspanning voor drinkwaterbedrijven en de druk op de waterbeschikbaarheid. Beter toezicht en handhaving en strengere toelatingseisen zijn noodzakelijk richting emissievrije gewasbescherming. Met milieuvriendelijke alternatieven blijft effectieve gewasbescherming voor boeren en tuinders mogelijk.
Volg de laatste ontwikkelingen via onze LinkedIn pagina.
In het kort:
- Veel waterwinningen bevatten te hoge concentraties stoffen uit bestrijdingsmiddelen
- De Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 heeft nagenoeg emissieloze gewasbescherming als doel
- Uit een tussentijdse evaluatie blijkt dat dit doel nog ver weg is
- Het Hoofdlijnenconvenant Gewasbeschermingsmiddelen moet de milieubelasting van gewasbescherming terugdringen
- Om echt stappen te zetten is een verbod op schadelijke stoffen noodzakelijk
- Ook toezicht en handhaving voor verkeerd en illegaal gebruik moet beter
- Voor chemische bestrijding komen steeds meer schone alternatieven op de markt
- Afnemers, provincies en andere partijen kunnen gebruikers helpen bij de transitie
Op veel plekken zitten te hoge concentraties van stoffen uit chemische bestrijdingsmiddelen in het water. Dit geldt voor zowel oppervlaktewater als voor grondwater. Bestrijdingsmiddelen vormen niet alleen een bedreiging voor dieren en planten, maar ook voor de drinkwatervoorziening. Drinkwaterbedrijven moeten namelijk meer zuiveringsinspanning leveren, en dat kost geld en energie. Wanneer een bron te verontreinigd is, kan deze (tijdelijk) onbruikbaar raken. Hierdoor nemen de productiekosten voor drinkwater toe en staat de waterbeschikbaarheid onder druk.
Toekomstvisie Gewasbeschermingsmiddelen 2030
Om de af- en uitspoeling van bestrijdingsmiddelen een halt toe te roepen, lanceerde het Rijk in 2019 samen met veel betrokken partijen, waaronder landbouworganisaties en Vewin, de Toekomstvisie Gewasbeschermingsmiddelen 2030. Doel hiervan is om in 2030 nagenoeg geen emissies en residuen van middelen uit de land- en tuinbouw in bodem en water meer waar te nemen. Uit een tussentijdse monitoring uit 2025 blijkt dat – ondanks lichte verbetering op sommige plekken – in de meeste grond– en oppervlaktewaterwinningen normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen plaatsvinden. Voor een aantal stoffen is zelfs een toename zichtbaar.
Meeste stoffen afkomstig uit de land- en tuinbouw
De land- en tuinbouw is verreweg de grootste gebruiker van chemische middelen, zegt Peter Leendertse, onderzoeker bij CLM Onderzoek en Advies. “Deze worden ingezet voor bestrijding van schimmels, insecten en onkruid. Via uitspoeling naar de bodem en verwaaiing en afspoeling naar sloten belanden stoffen in grond- en oppervlaktewater. Gemeenten gebruikten in het verleden ook chemische bestrijdingsmiddelen, maar dat mag alleen nog bij hoge uitzondering. Ook het aandeel van particulieren is klein, in de meeste tuincentra zijn geen chemische bestrijdingsmiddelen meer verkrijgbaar.”
Historische belasting, maar ook huidig gebruik
In grondwatervoorraden is vaak sprake van historische belasting. Leendertse: “Het duurt jaren voordat een stof een grondwatervoorraad bereikt. Het kan daardoor zijn dat we een stof aantreffen die afkomstig is uit een middel dat inmiddels verboden is. Tegelijkertijd zien we in de bodem en oppervlaktewater dat grofweg de helft van de stoffen afkomstig is van middelen die wel nog in gebruik zijn. Met name in oppervlaktewater is de herkomst van stoffen soms lastig te achterhalen, omdat die via verschillende bronnen zijn aangevoerd, en soms gedeeltelijk vanuit het buitenland kunnen zijn meegevoerd.”
Glyfosaat een van de voornaamste vervuilers
Bij verontreiniging gaat het om allerlei probleemstoffen, die elkaar in de loop der tijd opvolgen. Leendertse: “Een van de meest bekende is glyfosaat, de werkzame stof in middelen voor onkruidbestrijding. In metingen in drinkwaterbronnen – vooral oppervlaktewater – treffen we deze regelmatig aan, ook boven de norm. In 2023 heeft de Europese Commissie besloten de goedkeuring van glyfosaat weer met tien jaar te verlengen. Gezien de lange reistijd naar grondwaterbronnen gaan we daar nog langdurig tijd last van hebben.”
Opkomst PFAS-pesticiden baart grote zorgen
Een andere problematische groep stoffen zijn PFAS. Het gebruik van PFAS-pesticiden heeft de afgelopen jaren een vlucht genomen: van 150.000 kilo in de periode 2010-2020 tot meer dan 250.000 kilo in 2023. Momenteel zijn er 25 PFAS-pesticiden toegelaten op de markt. Leendertse: “Het voordeel voor de gebruiker is dat PFAS zich goed hechten aan een plant, waardoor de middelen zeer effectief zijn in het doden van schimmels en insecten. Tegelijkertijd zijn ze moeilijk afbreekbaar en stapelen ze zich op. Hierdoor vormen ze een groot risico voor het milieu. Door hun oplosbaarheid zijn ze ook nog eens moeilijk te verwijderen uit water.”
Schadelijker dan aanvankelijk gedacht
Dat ze toch zijn toegelaten, komt volgens Leendertse omdat ze aanvankelijk als ‘onschuldig’ werden beoordeeld. “De koolstofketen van PFAS-pesticiden is korter dan die van industriële PFAS, maar bevat eveneens fluorverbindingen. Zo’n kortere keten breekt weliswaar sneller af, maar niet volledig. In bijna afgebroken vorm als TFA zijn ze toch nog zeer schadelijk. Om die reden heeft Denemarken in 2025 6 PFAS-pesticiden in de ban gedaan. Ook de Nederlandse toelatingsautoriteit, het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), gaat een aantal PFAS-pesticiden opnieuw bekijken en beoordelen.”
‘Onvoldoende rekening met uitspoelinggevoeligheid’
Of dit hier ook leidt tot intrekking is afwachten, zegt Leendertse. “Dat komt onder meer door de beoordelingssystematiek van het Ctgb. Ze kijken vooral modelmatig naar de uitspoelinggevoeligheid, maar nemen metingen die laten zien dat een stof in het water wordt aangetroffen nog steeds niet mee. Terwijl dat juist het risico duidelijk maakt, met name in grondwaterbeschermingsgebieden. Daar zou het Ctgb veel meer rekening mee moeten houden. Het onderzoek is op z’n vroegst pas in 2028 afgerond, voorlopig blijven PFAS-pesticiden dus op de markt. Provincies – die verantwoordelijk zijn voor de grondwaterkwaliteit – kunnen zelf wel via een omgevingsverordening het gebruik van schadelijke middelen in kwetsbare gebieden verbieden.”
Regelmatig nog verkeerd of illegaal gebruik van middelen
De oorzaak van het probleem ligt niet alleen in het gebruik van toegestane middelen, maar ook verkeerd of illegaal gebruik. Uit een recent rapport van de NVWA blijkt dat bij een inspectieronde zo’n 40 procent van de gecontroleerde akkerbouwers en bollentelers zich niet aan de regels hield. Leendertse: “Het is schokkend hoe vaak het nog misgaat. Daarbij gaat het om het niet goed volgen van voorschriften, het gebruik van een onjuiste spuit of een te hoge dosering. Ook worden er soms middelen gebruikt die al jaren verboden zijn. Deze zijn dan niet meer via de reguliere handel, maar wel online ergens nog verkrijgbaar.”
Nieuw convenant, maar wel met kanttekeningen
In juli 2026 sloot het ministerie van LNV met onder andere de LTO, Unie van Waterschappen en VNG het Hoofdlijnenconvenant Gewasbeschermingsmiddelen om de milieubelasting van gewasbescherming verder terug te dringen. Leendertse kijkt hier kritisch naar. “Een convenant is altijd vrijblijvend. Dat natuur- en landschapsorganisaties het niet hebben ondertekend omdat de afspraken te vaag zijn, is ook geen goed teken. Het is bovendien gek dat je een convenant sluit, terwijl er eerder al duidelijke doelen zijn gesteld.” Ook Vewin plaatst een aantal kritische kanttekeningen bij het convenant.
Dit is nodig om echt stappen te kunnen zetten:
Om echt stappen te maken, is volgens partijen als Vewin, het CLM en milieuorganisaties meer nodig. Zij pleitten voor verschillende maatregelen die in combinatie kunnen leiden tot aanzienlijke vermindering van de uit- en afspoeling van stoffen uit bestrijdingsmiddelen naar de bodem en grond- en oppervlaktewater.
- Alternatieven voor gebruik chemische middelen
Voor chemische middelen bestaan diverse alternatieven, zoals biologische middelen, het inzetten van natuurlijke vijanden of uv-licht. Leendertse: “In een recent onderzoek hebben we voor aardappel gekeken welke alternatieven er zijn wanneer een aantal PFAS-pesticiden zouden worden verboden. De conclusie is dat er diverse opties zijn. Dit vraagt wel voortvarend verdere ontwikkeling en toepassing. We gaan dit nu ook bekijken voor andere gewassen, zoals bieten, fruit en graan.”
Met alternatieven doelt Leendertse niet alleen op het inzetten van milieuvriendelijke plaag- en onkruidbestrijding. “Het gaat ook om het telen van resistentere rassen. Verder is het bodemgebruik van belang. Wanneer je regelmatig een rustgewas op het land zet, maakt dat enorm verschil voor de ziektedruk en daarmee de noodzaak van het gebruik van bestrijdingsmiddelen.”
- Vermindering erfafspoeling
Op verschillende manieren kunnen boeren voorkomen dat emissies van bestrijdingsmiddelen uitspoelen naar de bodem of afspoelen naar de sloot. Bijvoorbeeld met het aanbrengen van natuurrijke akkerranden. Maar er is meer, zegt Leendertse. “Wanneer je een spuit of tank gaat schoonmaken op het erf, stromen stoffen via een put de sloot in. Dat kun je verhelpen met een vloeistofdichte vloer gekoppeld aan een eenvoudig zuiveringssysteem.”
- Strengere toelatingseisen voor middelen
Voor Europa, maar ook voor Nederland zelf is het advies strenger te kijken naar de impact van stoffen op het milieu, geeft Leendertse aan. “Nu wordt vaak gekeken of een stof in theorie risicovol kan zijn. Nadat de stof is toegelaten, blijkt soms dat de praktijk anders in elkaar zit, bijvoorbeeld omdat een stof zich na afbraak anders gedraagt en bij metingen boven de normen wordt aangetroffen. Op dat moment is het cruciaal de toelating voortvarend te herzien om negatieve effecten op de omgeving te beperken.”
- Beter toezicht en handhaving
Hoewel het NVWA jaarlijks steekproefsgewijs controles uitvoert bij boeren en tuinders, mag toezicht en handhaving volgens Leendertse steviger. “Je kunt natuurlijk niet elke plek controleren, maar het gebeurt nu nog te weinig. Hiervoor is het nodig meer capaciteit vrij te maken. Ook communicatie is van groot belang. Als je overtredingen en boetes openbaar maakt, geef je een signaal af. De ervaring leert dat dat erg effectief is.”
Meer druk en hulp vanuit afnemers
Een belangrijke schakel in het geheel zijn afnemers, zoals supermarkten of de verwerkende industrie. Vanuit de vraag naar duurzame en schone producten kunnen zij boeren stimuleren om van chemische middelen over te stappen naar duurzamere alternatieven. Leendertse: “Boeren zijn daar heel gevoelig voor, het gaat immers om hun afzet. Afnemers zullen dan ook zelf moeten bijdragen aan alternatieven en innovaties en ook LTO en BO Akkerbouw hebben hierin een aandeel.”
Ondersteuning provincies en drinkwaterbedrijven
Ook provincies en drinkwaterbedrijven kunnen de landbouw helpen bij de transitie naar emissievrije gewasbescherming, vervolgt Leendertse. “Bijvoorbeeld met kennis en middelen om de overstap naar alternatieven te maken. Dat gebeurt ook al vanuit verschillende initiatieven. Als CLM ondersteunen we partijen hierbij. Zo reiken we met onze Toolbox Drinkwater instrumenten aan waarmee betrokken partijen de landbouw in grondwaterbeschermingsgebieden duurzaam en toekomstbestendig kunnen inrichten.”
Een alternatief in combinatie met een verbod
Daarnaast hebben boeren inspirerende voorbeelden nodig van collega’s, zegt Leendertse. “Als een boer ziet dat het ook op een andere manier kan, is de kans groter dat die overstapt. Best practices zijn ontzettend belangrijk. Maar om innovaties echt te laten slagen, is het cruciaal ook de vervuilende optie te verbieden. Je kunt wel zeggen dat gebruikers moeten overstappen, maar als een bestaand middel dat goed werkt nog gewoon verkrijgbaar is, blijven de meeste dat gebruiken.”
Gemeentelijke onkruidbestrijding als goed voorbeeld
Een inspirerend voorbeeld vindt Leendertse de gemeentelijke onkruidbestrijding. “Een jaar of 15 geleden is een aantal gemeenten gestart met het gebruik van hete lucht en heet water voor het verwijderen van onkruid op verharding. Naarmate duidelijk werd dat de resultaten heel positief waren, heeft de staatsecretaris besloten om het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen door gemeenten te verbieden. Toen moesten andere gemeenten ook overstappen en is de omslag gemaakt. Zo’n stapsgewijs traject kan ook de landbouw helpen om de transitie echt te maken.”
Reacties
3