LTO: ‘Boerenbedrijf is maatwerk, daar passen geen generieke regels bij’

Waterverontreinigingen veroorzaakt door industrie en landbouw hebben de discussie over de waterkwaliteit in Nederland op scherp gezet. Is die zorg terecht? In een serie interviews geven insiders hun visie. In dit deel Claude van Dongen, portefeuillehouder Bodem- en waterkwaliteit bij Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland. “Boeren moeten niet worden aangesproken op iets waar ze niks aan kunnen doen.”

‘Onkruidverdelgers tasten drinkwater aan’, ‘Bodem vol pesticiden’, wie de berichtgeving  over waterverontreinigingen in landbouwgebieden volgt, zal geen hoge pet ophebben van het milieubewustzijn van boeren en tuinders. Maar die berichten doen volgens Van Dongen geen recht aan het oog dat de land- en tuinbouw anno 2018 heeft voor de impact van hun bedrijfsvoering op onder andere grond- en oppervlaktewater.

Stoppen met schandpaal

“Boeren en tuinders komen veel in aanraking met water”, zegt Van Dongen, zelf melkveehouder en tuinder in Noord-Brabant. “Een land- of tuinbouwbedrijf verbruikt veel water en landbouwgronden zijn de grootste verzamelaar van regenwater. Uitspoeling van nutriënten en gewasbestrijdingsmiddelen naar de bodem of sloot ligt daardoor snel op de loer.”

Maar dat agrariërs soms publiekelijk aan de schandpaal worden genageld, is in zijn ogen onterecht. “De kwaliteit van grond- en oppervlaktewater is inderdaad op verschillende plekken onvoldoende, ook in gebieden met veel boerenbedrijven. Maar lang niet altijd is meteen duidelijk wat daarvan de oorzaak is. Soms zijn het boeren, maar verontreinigingen kunnen ook afkomstig zijn van buitenaf of vanuit het verleden al aanwezig zijn in de grond.”

Gebiedsgerichte aanpak en maatwerk

Die wetenschap maakt het volgens Van Dongen lastig om op landelijk niveau afspraken te maken voor de land- en tuinbouw. “Je kunt niet zeggen: ‘In heel Nederland is water verontreinigd doordat boeren de normen overschrijden, dus we gaan ze harder aanpakken’. Elke verontreiniging doet zich voor in een specifiek gebied. Dat betekent dat je per gebied een analyse moet maken en de oorzaak moet achterhalen. Daarna weet je pas hoe en met wie je dat gaat oplossen.”

Strenge regels weinig effectief

Van Dongen denkt dat verdere aanscherping van landelijke normen, zoals bemestingshoeveelheden, dan ook weinig zin hebben. “Als je alles vanuit een juridisch kader en met strakke regels denkt te kunnen regelen, kom je bedrogen uit. Uit rapporten en evaluaties van het PBL blijkt dat eerdere aanscherpingen van regels nauwelijks effectief waren. Er is wel wat vooruitgang geboekt, maar gezien de grote hoeveelheid maatregelen relatief heel weinig.”

‘Eerdere aanscherpingen van regels waren nauwelijks effectief’

‘Elk bedrijf is anders’

Om de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water te halen, is het zinvoller om in gesprek te blijven met boeren en op gebiedsniveau samen te werken, vervolgt Van Dongen. “Een boerenbedrijf vraagt om maatwerk, elk bedrijf is anders en werkt onder andere omstandigheden. En bij maatwerk passen geen generieke regels.”

Overtuigen nut en winst voor bedrijf

Om boeren mee te krijgen in een duurzamere en milieuvriendelijkere bedrijfsvoering is tot nu dan ook bewust gekozen voor vrijwilligheid, zoals in het deltaplan ‘Agrarisch Waterbeheer’, zegt Van Dongen. Want boeren overtuigen van het nut en de winst van een bedrijfsvoering met zo min mogelijk emissie blijkt volgens hem wél effectief.

“Minder kosten, betere gewaskwaliteit; die zaken zijn voor een boer van wezenlijk belang. Laat een boer zien hoe hij of zij de kwaliteit van een gewas kan verbeteren of meer grip kan krijgen op de gewasproductie. Dan voelen aanpassingen niet als een beperking, maar als een verbetering. Dat dat vervolgens ook positieve effecten heeft voor de waterkwaliteit snappen en waarderen de meeste agrariërs ook echt wel.”

‘Minder kosten, betere gewaskwaliteit; die zaken zijn voor een boer van wezenlijk belang’

Veel meer milieubewustzijn bij boeren

De constructieve samenwerking is al jaren geleden ingeslagen, zegt Van Dongen. “Door heel Nederland werken agrariërs, drinkwaterbedrijven, overheden en waterschappen samen aan vermindering van emissies en de verbetering van de waterkwaliteit. Het milieubewustzijn bij boeren is ontzettend gegroeid ten opzichte van twintig jaar geleden. Toen was de instelling: een onsje meer gewasbescherming kan geen kwaad.”

Inmiddels weten tuinders en agrariërs volgens Van Dongen precies welk middel wel en niet gebruikt mag worden en in welke mate. “Natuurlijk gaat het weleens mis. Als ik op het land aan het werk ben zie ik ook niet precies wat er uiteindelijk in het water terechtkomt. Maar er is geen boer die z’n bedrijf runt met het idee ‘laat ik eens lekker het grond- of oppervlaktewater vervuilen’.”

Dwingende maatregelen als noodgreep

Tegelijkertijd weet Van Dongen dat er altijd bedrijven zijn die niet openstaan voor verandering. “Dat is niet per definitie een probleem wanneer de meeste land- of tuinbouwbedrijven in een gebied wel duurzaam te werk gaan. Maar zodra duidelijk is dat een bedrijf verontreinigingen veroorzaakt en niet bereid is om daar iets aan te doen, dan moet je maatregelen nemen.”

Gedeelde verantwoordelijkheid

Naast de rol van boeren, denkt Van Dongen dat ook partners vanuit de watersector invloed kunnen uitoefenen op mogelijke verontreiniging. “In droge tijden spoelen nutriënten makkelijk uit naar de bodem en komen zo uiteindelijk in grondwatervoorraden terecht. In die droge periodes kan een waterschap ervoor kiezen om de grondwaterstand te verhogen, zodat de bovenste bodemlagen de nutriënten beter vasthouden. Daarmee leg je niet alle verantwoordelijkheid bij de boeren.”

‘We hebben hetzelfde doel voor ogen: verbetering van de waterkwaliteit’

Constructieve samenwerking

Van Dongen benadrukt tot slot dat hij goed te spreken is over de huidige samenwerking tussen alle betrokken partijen, met name over het constructieve karakter. “We hebben hetzelfde doel voor ogen: verbetering van de waterkwaliteit. Iedere partij komt daarbij op voor z’n eigen belang, maar heeft ook oog voor de rol, kennis en belangen van de andere partijen.”

Namens de LTO behartigt Van Dongen de belangen van boeren en tuinders. “We zijn geen vakbond die de hakken in het zand zet om alles wat niet ideaal uitpakt maar tegen te houden. Maar een aanpak moet wel hout snijden. Boeren moeten niet worden aangesproken op iets waar ze niks aan kunnen doen. En alleen door een normoverschrijding of vervuiling elke keer per gebied te bekijken, weet je waar de oorzaak ligt en wat eraan moet worden gedaan.”

Deel dit bericht

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *